Schrijf hier je eigen PF!
In principe ben je vrij te schrijven wat je wilt. Het aantal woorden dat je schrijft zal er uiteindelijk voor zorgen in welke categorie je verhaal terechtkomt: XS, S, M, L of XL.
Stuur je [pf] in zonder titel. Een professionele redactie zal bepalen of je verhaal al dan niet wordt geplaatst. Is het verhaal goed, dan zal je het binnen zeer korte tijd op de site zien verschijnen. Pulpfictie is uitsluitend bedoeld voor fictie, poëzie wordt dus niet geplaatst.
Verhalen die discrimerend, aanstootgevend of racistisch zijn, zullen zonder meer niet worden toegelaten op de site. Over het al dan niet plaatsen van verhalen wordt niet gecorrespondeerd.
XL
Tegen de ochtend stonden hun woonwagens en tenten op het zanderige grasveld iets buiten de stad, tussen de ijzerdump en de verlaten loods verderop. De geur van een kampvuurrestant hing in de lucht, en een reus van een man, die ik zou leren kennen als Jiggle Jiggling Jim, jongleerde met ...
Tegen de ochtend stonden hun woonwagens en tenten op het zanderige grasveld iets buiten de stad, tussen de ijzerdump en de verlaten loods verderop. De geur van een kampvuurrestant hing in de lucht, en een reus van een man, die ik zou leren kennen als Jiggle Jiggling Jim, jongleerde met vijf ringen. Ik bleef minutenlang naar hem kijken. Vlakbij sliepen twee apen, aan hun enkels geketend aan een woonwagenwiel, en naast hen snurkte hun bolbuikige dresseur luidruchtig.
Vanuit een tentopening vlakbij bekeek een zigeunerin me. Met haar nerveusmakende ogen in mijn rug liep ik verder, en struikelde over een schierlijn. In mijn val brak ik een kist. Diezelfde zigeunerin schold me de huid vol, de doeken waarin ze zich had gewikkeld wapperden met iedere beweging, en ik maakte excuses.
“Wat doe je hier ook?”
“Nieuwsgierig.”
“Kijk wat je nieuwsgierigheid kapot heeft gemaakt.”
Aangezien ik als factotum in de havenloods werkte, beloofde ik de kist te repareren. Verderop, in een gescheurde tent bij een fakir die in kleermakerszit de zwaartekracht tartte, bleek een werkplaats te zijn, met ondefinieerbare gereedschappen en een werkbank van brandhout. Daar liet de zigeunerin die Fatima heette mij achter. Ik staarde naar de restanten, die meer bleken dan een kist: er zat een zwengel aan, en binnenin een ingenieus tandwielsysteem met filmprojectoren en spoeldraden.
Wekenlang was hun komst aangekondigd door rondtrekkende avonturiers die in de haven vertier zochten; de zigeuners hadden een stad stroomopwaarts van de rivier aangedaan, en eerder het landgoed van een excentrieke miljonair. Ik had vrouwlief en kinderen beloofd om op verkenning te gaan, zodat ik hen sneldaags mee kon nemen en rechtstreeks de geweldigste attracties in zou loodsen.
Fatima vond me wanhopig terug, scharnieren en tandwielonderdelen alom. Ze schaterlachte om mijn arbeidersonkunde. Ik wenste mezelf nooit klusjesman genoemd te hebben, en verwenste mijn nieuwsgierigheid. Fatima nam me mee naar een woonwagen waar de geur van kardemom en gemberwortel hing, en zij liet mij op een stoffig bed liggen tot mijn frustraties kalmeerden. We dronken thee waarnaar de woonwagen rook – ik zei dat het was of we de woonwagen zelf dronken – en zij vertelde dat haar kist een droommachine was, zonder verdere uitleg. Na de thee stond Fatima op.
“Ik maak hem zelf,” zei ze.
“Laat me helpen, alsjeblieft.”
“Morgenavond hebben we een show. Neem vrienden mee. Er zullen vuurspugers komen, en wilde dieren, en de waarzegster kan je hand lezen.”
“Ik heb teveel eelt,” zei ik, en liet mijn havenhanden zien, maar ik moest vertrekken.
Ik had haar nog willen vertellen dat mijn vader ook havenarbeider was, bovendien professioneel dronkenmanspraat prater en huiskamerfantast. En over die weekendavonden dat vader mij naar de bioscoop meenam, waartijdens ik in slaap viel en droomde door het filmdoek heen te stappen om nooit uit de filmwereld terug te hoeven keren.
Manoes en Biceps waren rozig dronken van de zelfgestookte alcohol die onze voorman verhandelde, en we hadden onze tabaksbuidels voor een doorwaakte nacht gevuld. Er was een dwerg in tutu, Marvin Marvel, die halsbrekende kunsten met gespannen touw en éénwieler uithaalde. Jiggle Jiggling Jim jongleerde met alles dat het publiek aangaf, tot een poedel aan toe. In een tent voorspelde een tarotlezende zigeunerin met glazen oog onze toekomst rooskleurig, en de alcohol maakte dat Manoes haar met tong en al bedankzoende. We rolden sigaretten tijdens de vuurshow van brandende fakkels en slingerprojectielen, en we fantaseerden over het rondtrekkende wonderleven.
Biceps zei: “Je weet wat ze van het geboren duppie zeggen?”
“Niet voor mij,” zei ik. “Niet voor mij.”
De spreekstalmeester verjoeg onze dromen met onverstaanbare aankondigingen, waarna een rockband mijmergesprekken onmogelijk maakte. Mijn gedachten dwaalden naar maandagochtend, naar de kakofonie van hamerslagen en motorzagen. Manoes en Biceps liet ik muziekdronken achter, en ik ging op zoek.
Boven een tentingang stond Droommachine, in uitgelopen verf geschreven op een plank. Op de tast ging ik naar binnen, riep haar naam in het donker, en bleef staan. In de stilte om me heen konden zich zoveel loerogen ophouden. Ik riep opnieuw. Geen reactie. Ik ging de tent uit, en liet me voor uitgang wanhopig ineenzakken.
“Jij.”
Fatima, met aan haar voeten gehoorzaam knielend een mansgrote herdershond. Ik zei dat ik haar zocht.
“Welnu?”
“Werkt je machine al?”
Ze lachte.
“Ik had beloofd je te helpen.”
“Om een droommachine te maken, moet je zigeuner zijn, en geen huileman.”
Met die woorden verdween ze in haar tent, de herdershond trouw achter haar aan. Ik durfde niet te volgen, en sjokvoette terug naar het veld.
Ik dacht aan mijn vader, die zijn fantasieverhalen vertelde rondom die ene wereldzeilreis die hij als achttienjarige had gemaakt. Verhalen over vreemdsoortige volkeren. Zoals de éénogige Maori's die hun huizen tweedimensionaal bouwden als filmsets, omdat ze geen diepte konden zien, maar koning waren in het door hen veroverde naburige land van de blinde Kiwi's – een mensenvolk dat geen mond had maar langwerpige snavels waarmee ze de meest betoverende melodieën konden fluiten.
Manoes en Biceps waren aan de praat geraakt met Jiggle Jiggling Jim. Mijn sipgetrokken gezicht viel hen op, en ik vertelde over Fatima en de gebroken machine. Jiggle Jiggling Jim lachte. Zo joviaal vriendschappelijk had ik hem niet verwacht, niet toen hij me gisterenmiddag geen aandacht schonk.
“Dat is geweldig,” zei Jiggle Jiggling Jim. “Ze vraagt je zigeuner te zijn.”
“Nu?”
“Natuurlijk.”
“Maar mijn vrouwlief en kinderen…”
Manoes en Biceps haalden hun schouders op, en ik vroeg me af of zij eigenlijk wisten dat ik een vrouwlief en kinderen had die thuis huiselijk maakten.
Jiggle Jiggling Jim vroeg naar mijn zigeunerskunsten.
“Ik ben sterk,” zei ik. “Ik kan sjouwen, en opbouwen.”
“Iedereen heeft vrouwlief en kinderen,” zei hij. “Broers en zussen en vaders en moeders. Een huis en een werk, en we hebben vrienden die we nooit zien maar waarvan we meer houden dan van het zout in de zee en de warmte van de zon. Zelfs weeskinderen moeten harten breken, als het zigeunerleven lonkt.”
“Weggaan. Reizen. Het zijn allemaal wensverlangens.”
“Daarop functioneert de droommachine: verlangens vol weemoed en avonturierszin, dat laat hem gesmeerd lopen. Zo repareer je hem, niet met rationele klusjeshandigheid en monteursverstand.”
“Ach, maandag ben ik het weer vergeten.”
“Zoals je wil.”
Jiggle Jiggling Jim vertrok voor zijn volgende jongleeract. Het werd donker en koud, en we zochten het kampvuur op, waar iemand kampvuurliederen zong, begeleid door accordeon en viool. Het duurde niet lang of Manoes viel in alcoholslaap, en het werd laat, zo laat dat vrouwlief al opgestaan moest zijn om ontbijtpap te koken en de kinderen uit hun bedjes te halen. Aangezien Manoes na porren niet wakker werd, liet ik hem slapen. Biceps stuntelde op zijn voeten, en omarmde me vriendschappelijk.
“Wat is er sippermans?”
“Ik ga naar vrouwlief.”
Biceps trok aan me, en in zijn dronkenmanslompheid sleurde hij me omver. Excuses prevelend hurkte hij naast me neer.
“Wil jij niet weg?” vroeg ik.
“Naar huis?”
“Weg. Wegweg.”
“Heeft de zigeunersgeest je te pakken?”
“Dat is het niet.”
“Maar?”
“Ik vraag me af of ik zin heb om maandag weer maandag te doormaken, en de week daarop maandag, en volgend jaar maandag. Over andere dagen nog gezwegen.”
Manoes strompelde zichzelf op zijn voeten, zo slaapdronken en alcoholslaperig dat hij ons niet zag, en wankelde richting de poort.
“Als ik thuis kom,” zei Biceps, “dan hoor ik de pannen en ketels kletteren, en ruik de etensgeuren. Als ik moe ben, luistert vrouwlief naar mijn gemopper, en de dagen dat ik energie heb praat ze de oren van mijn kop. Dan nemen we de kinderen mee naar onze plek aan het meer, de warme pannen zo in de bakfiets. Zodra de zon onder gaat maak ik de kleinste wijs dat het zal sissen en stomen als die het water raakt.”
“Jij bent verhalenverteller, net als mijn vader.”
“Jij niet?”
“Zonder mijn droomverhalen slapen de kinderen niet in.”
“Mooi,” besloot Biceps. “Dan is dat opgelost, en kunnen we huiswaarts.”
Hij trok me op, en mee met mijn vermoeide lijf het terrein over, waar wij ons nog verbaasden over de levende kanonskogel. Stilstaand keken we naar de fakir die hoog boven het terrein zweefde, en het was nu zo laat dat er al tenten werden afgebroken.
Ik dacht aan Fatima en haar machine. Ik dacht aan mijn vader de huiskamerfantast en zijn wereldzeilreis. Ik moest aan zoveel denken dat het in mijn hoofd draaide, pas na drie keer drongen Biceps zijn ik ga nu echt woorden tot me door.
Ik schudde zijn hand, drukte het restant alcohol in de andere, en zei dat ik bleef. Hij keek naar het leeggelopen grasveld vol papierpropjes en zwerfafval, waar de zigeuners druk heen-en-weer doende waren om hun kamp nachtklaar te maken.
“Hoezo?”
“Misschien hebben ze iemand nodig om te helpen afbreken.”
door: Jurriaan van Eerten (Den Haag)
op donderdag 2 september 2010
L
Ik kijk naar haar. Ze is weer even mooi als gisteren. Haar armen heeft ze als de vleugels van een vogel gespreid. Haar blauwe ogen zijn naar de al even blauwe lucht gericht. Ze lijkt iets prachtigst te zien. Een glimlacht dwaalt over haar mooie gezicht.
Terwijl ik naar haar ...
Ik kijk naar haar. Ze is weer even mooi als gisteren. Haar armen heeft ze als de vleugels van een vogel gespreid. Haar blauwe ogen zijn naar de al even blauwe lucht gericht. Ze lijkt iets prachtigst te zien. Een glimlacht dwaalt over haar mooie gezicht.
Terwijl ik naar haar sta te kijken voel ik aan m’n eigen gezicht. De lelijke puistjes zijn over m’n wangen en voorhoofd verspreid.
M’n buik begint zoals altijd als ik haar zie te borrelen. Een woeste wind en boze regen waait van mijn buik naar mijn hoofd en weer terug. Ik ril van de kou en bijt op m’n lip.
Met ferme passen loop ik naar haar toe en ga achter haar staan. Haar lange haar dat normaal tot aan de onderkant van haar rug hangt waait nu in mijn gezicht. Ik weet maar al te goed hoe trots ze is op haar mooie haar. Maar al te goed.
Ik haal m’n handen door mijn korte haar en laat me dan zo stil mogelijk door m’n knieen zakken.
Ik zet m’n schooltas voor me neer. Voorzichtig maak ik de rits van het voorvakje open en pak m’n etui eruit. Langzaam hijs ik mijn zware lichaam weer overeind.
Ik open m’n etui en pak m’n schaar.
Dan begin ik met ferme bewegingen door haar haar te knippen. Stuk voor stuk vallen lange lokken haar op de grond. Ik vergeet m’n rotte gevoel. De storm in m’n hoofd gaat liggen.
Als ik klaar ben voel ik dat de woede uit mijn lichaam is verdwenen. Ik draai me om en loop weg. Ik denk dat ik haar ogen in m’n rug voel prikken en even voel ik een klein beetje triomf. Als ik me omdraai zie ik dat ze niet naar mij heeft gekeken. Ze heeft haar ogen nog steeds naar de lucht gericht.
Meteen voel ik de storm weer in me opwaaien. Haar haar is kort en lelijk maar ze staart nog steeds met een glimlach om haar lippen naar de lucht. Waarom ben ik niet zo als zij?
Ze blijft maar naar de blauwe lucht kijken terwijl ik naar haar kijk. De storm lijkt zich meester te maken in mijn lichaam. Ik wil haar zijn.
door: Vera (Den Haag)
op dinsdag 31 augustus 2010
L
God zag mij ploeteren en wist dat er iets moest gebeuren. Hij bedacht het interkerkelijk vakantiekamp. Ik heb niets met God, of met interkerkelijke vakantiekampen. Maar God had Alexandra gemaakt en Alexandra was mooi en lekker. En ze ging op kamp. Ik dus ook. Fris en monter liep ik heilig ...
God zag mij ploeteren en wist dat er iets moest gebeuren. Hij bedacht het interkerkelijk vakantiekamp. Ik heb niets met God, of met interkerkelijke vakantiekampen. Maar God had Alexandra gemaakt en Alexandra was mooi en lekker. En ze ging op kamp. Ik dus ook. Fris en monter liep ik heilig en geilig naar Alexandra. 'Ga jij nog op kerkkamp deze zomer?' Deze openingszin werkt alleen in heel specifieke situaties. Vijf weken later zat ik in een bus, vol moeilijk opvoedbare interkerkelijke kinderen.
De douche was koud, de matrassen nat van de regen, de boterhammen klef, de limonade smaakte naar het gekleurde plastic van de beker. Maar god had grootse plannen. Ik moest eerst afzien. God is blijkbaar een lastige man om mee samen te werken. Na een week actief gristenen was het zover. Een volle tongzoen op de bonte avond. Wat een tongzoen! Hier was ik: de koning van gristentong! Andere onschuldige meisjes stortten zich die avond huilend in de coulissen. Spreekt tegenwoordig nog iemand over god, dan denk ik aan de tong van Alexandra.
Daarna niks. Geen romantisch giechelen, geen gefrunnik, geruk of onhandige BH bandjes. Blijkbaar is god ook erg kortaf. God had mijn hand aan haar kruis genageld, maar gaf verder geen sjoege. Ik moest een plan hebben, maar dat had ik niet. Ik moest gevat, geestig en doortastend zijn, maar dat was ik niet. Het gat was zwart een leeg. Alexandra dreef mij weg uit haar verlangen. Totdat ik jaren later, vele BH bandjes verder, van iemand het telefoonnummer van Alexandra had gekregen.
Na jaren stond ik weer oog in oog met mijn eerste tongzoen. Haar borsten inmiddels volgroeid, mijn naïviteit wat geslonken. Haar stem hees, mijn broek gespannen. De avond was lang. Mijn handen waren stijf van de vele glazen bier. Uiteindelijk zag ik, door flarden kroegen en grachten heen, de randen van haar bed. Althans, dat zag ik pas na het wakker worden. Door mijn koppijn heen proef ik haar geluk van die nacht. Blijkbaar ligt mijn onderbroek in de vensterbank over de foto van haar vriend. Ik moet opstaan en wegblijven. ‘Fijn dat je toch gekomen bent’, zegt ze als we buiten staan. Maar zelfs dat had god uit mijn geheugen gewist. De lul.
door: Twitgedicht (Amsterdam)
op vrijdag 27 augustus 2010
L
Een vroegere collega van me, Fernand, een begenadigde tolk met een kloeke stem, belde een tijd lang elke middag naar zijn grootmoeder, zijn "mamie" zoals hij haar noemde (hij was in het Frans opgevoed). Fernand had een luide stem en we kregen elke middag een live update van hoe ...
Een vroegere collega van me, Fernand, een begenadigde tolk met een kloeke stem, belde een tijd lang elke middag naar zijn grootmoeder, zijn "mamie" zoals hij haar noemde (hij was in het Frans opgevoed). Fernand had een luide stem en we kregen elke middag een live update van hoe het was met haar gezondheid. Die was niet zo goed. Hij moest een overplaatsing regelen naar een rust- en verzorgingstehuis en dat had heel wat voeten in de aarde. Ze zag het zelf niet zitten en er was ook nog het Vlaamse fenomeen van de lange wachtlijsten. Elke avond ging hij haar opzoeken om te zien of ze goed at en of ze tijdig in bed was. Hij had in de kast van zijn mamie een fles whisky gezet voor zichzelf, vertelde hij.
"Financieel is zo'n overplaatsing in elk geval geen probleem," vertelde hij me toen we naar een klant reden. "Zij en mijn grootvader baatten een taverne uit in het centrum van Gent. Het waren de Golden Sixties, man. Champagne stroomde er bij liters, iedereen gooide geld buiten."
Blijkbaar ging het van kwaad naar erger. Ze kon niet meer zelfstandig wonen. Hij was op het lumineuze idee gekomen om ook aan de kust te kijken voor een plekje in een tehuis en haar zachtjes aan van dit idee te overtuigen. In haar jeugd verbleef ze elke zomer in Oostende en met dat gegeven in de hand kon hij haar kunnen overtuigen om haar daar op een wachtlijst te laten plaatsen. Een verhuis naar de kust, daar kon ze zich blijkbaar nog iets bij voorstellen, dat leek op een vakantieuitstap.
Fernand moest meer en meer dagen vrij nemen en belde elke dag naar de directie van het tehuis in Oostende. Uiteindelijk kon hij een plaats voor haar versieren. Hij nam een week vrij, verhuisde al haar spullen, ging enkele middagen met haar mee en bleef toen tot 's avonds laat. Toen hij terug was, belde hij opnieuw elke middag om te horen hoe het met haar was. Je gelooft het of gelooft het niet, maar de eerste dag in maanden dat hij haar niet kon bellen, omdat hij voor één dag naar het buitenland moest, kwam ze te sterven. Toen het overlijdensbericht uithing, zagen we voor het eerst haar echte naam. De middagpauzes werden vanaf dan een stuk stiller.
door: LodeN (G.)
op donderdag 26 augustus 2010
L
Het gros van de mensen zou zich schamen voor wat Pieter zojuist had gedaan. Pieter niet. Hij keek er nog eens naar, lachte zelfgenoegzaam, en dacht na over de gevolgen die zijn actie zou kunnen hebben.Hij wist al dat er geen camera's hingen. Niet dat hij dat van tevoren had ...
Het gros van de mensen zou zich schamen voor wat Pieter zojuist had gedaan. Pieter niet. Hij keek er nog eens naar, lachte zelfgenoegzaam, en dacht na over de gevolgen die zijn actie zou kunnen hebben.Hij wist al dat er geen camera's hingen. Niet dat hij dat van tevoren had uitgezocht - het was ten slotte niet alsof hij dit gepland had - maar de slechte bewaking van het terrein was onlangs nog uitgebreid besproken in het plaatselijke sufferdje.
Zijn handen in zijn zak stekend liep hij nonchalant verder. Niemand zou er ooit achter komen dat hij dit gedaan had, dat het zijn creatie was die daar nu het terrein ontsierde - of versierde, naar zijn mening, maar hij betwijfelde of het dorp er ook zo over zou denken.
Francis, zijn buurvrouw van achter in de tachtig die altijd haar hondje daar uitliet, zou het als eerste zien. Zij zou het vertellen aan Gerda, die elke vrijdag stipt om twee op de koffie kwam. En als Gerda iets wist, dan wist het hele dorp het. Vreemd genietend stelde hij zich voor hoe het dorp er schande van zou spreken. Hoe zijn vrouw Heleen met afschuw in haar stem zou vertellen wat voor vondst er deze middag was gedaan. Hij bedacht hoe hij zijn dochtertje zou vertellen dat er toch maar gekke mensen op de wereld zijn die soms hele gekke dingen doen.
Al fantaserend was Pieter bij zijn straat uitgekomen. Hij stak de sleutel in het slot van de donkergroene voordeur, aaide even over het naamplaatje zoals hij dat altijd deed, en stapte naar binnen. Daar stond Heleen al, met de theepot in haar handen. Ze gaf hem een kus en zei: "Dag schat, lekker gewandeld?".
door: Doortje (Tilburg)
op dinsdag 17 augustus 2010
XL
Yves stond op en had geen zin om te gaan werken. Dat kwam goed uit, want Yves had geen werk. Hij ging dan maar naar de badkamer, nam een douche, en stapte naakt en nat naar de keuken. Na het ontbijt keek hij uit zijn raam naar de voorbijrijdende auto's, ...
Yves stond op en had geen zin om te gaan werken. Dat kwam goed uit, want Yves had geen werk. Hij ging dan maar naar de badkamer, nam een douche, en stapte naakt en nat naar de keuken. Na het ontbijt keek hij uit zijn raam naar de voorbijrijdende auto's, een oma in een elektrische driewieler en een kat die de overkant niet haalde. Hij glimlachte en stak een sigaar op, een van de oude havanna’s die hij had opgespaard voor een gelegenheid als deze.
Toen belde Anton, die zijn hulp nodig had. 'Yves, ik moet een trouw fotograferen en mijn Canon 550D heeft zojuist de geest gegeven, en-ie is verdorie nog maar een week oud. Wat een rommel gooien die Japanners toch op de markt dezer dagen. Had jij geen degelijke Duits fotoapparaat? Ik kan het binnen een halfuur komen halen, en dan rijd ik meteen door naar Gingelom, waar de huwelijkspartij plaatsheeft.'
Yves had inderdaad nog een Leica liggen, een metalen ding dat zijn grootvader hem had nagelaten. In zijn testament stond dat het voor Yves bedoeld was, omdat hij de enige was in wie hij enig fotografisch talent zag. Grootvader vergiste zich wel vaker. Hij had al zijn geld op de beurs verloren en pleegde zelfmoord met een briefopener.
'Anton, geen probleem! Het is wel zo'n exemplaar met een vaste lens, waarmee je niet kan zoomen. Vormt dat geen probleem?'
Anton vond het best en hij vertrok onmiddellijk. Yves ging naar zijn slaapkamer en nam een schoendoos die onderin zijn kast stof had vergaard. Daarin zat zijn grootvaders Leica, een knap apparaat zo op het eerste gezicht. Geen plastiek, geen megapixels, geen klein schermpje dat in het zonlicht onleesbaar wordt. Hij stak er een nieuw rolletje in en deed wat kleren aan. In zijn tuin maakte hij foto's van de heg, van zijn konijn, van de zon die door de takken scheen, en hij droomde van een bestaan als fotograaf. Het leek hem wel wat, het land verkennen en overal beelden schieten. Mensen irriteren. Politici laten poseren en op de verkeerde momenten afdrukken, zodat ze er als de lelijke menshatende maffioso uitzien die ze zijn.
En dan zag hij zichzelf een modeshow verslaan. Foto's van knikkende knieën, kleren die op scène openscheuren, homo's die gesticuleren en hun hoofd in hun handen verbergen omdat alles onherroepelijk misgaat. En daaronder commentaar van de fotograaf. Droog, feitelijk.
Maar toen belde Anton aan. Yves gaf hem de Leica. Hij benijdde hem omdat hij betaald werd om zoiets simpels te doen als foto's nemen — als kind nam Yves veel foto's, maar daarna verloor hij zijn interesse in andere mensen, en natuurfotografie was iets voor nerds.
Een dag later belde hij naar Anton om te vragen hoe het ging, maar zijn vriendin nam op, huilend en kwaad. 'Anton amuseerde zich zo met jouw Leica, met dat stom ding, dat hij na het huwelijk de stad is ingetrokken en zoals de Amerikaanse straatfotografen een dronkaard probeerde te fotograferen. Maar hij kwam niet thuis met zwart-witte foto's van een dronkaard, hij kwam thuis met een hersenschudding! Altijd, al-tijd wanneer hij van bij jou komt, loopt het fout af. Je bent een loser, Yves, blijf weg van mijn man.'
Yves was zo gelukkig dat hij een sigaar opstak.
door: Jens Brandenberg (Moorsele)
op maandag 16 augustus 2010
XL
Daan had een meisje via internet leren kennen, maar er was een probleem: ze had een ex-vriend, een gewelddadige Tsjech. Wanneer hij in de gaten kreeg dat ze iets met andere jongens deed, sloeg hij deze jongens in elkaar. Hij werkte in de bouw en had vele Tsjechische vrienden die ...
Daan had een meisje via internet leren kennen, maar er was een probleem: ze had een ex-vriend, een gewelddadige Tsjech. Wanneer hij in de gaten kreeg dat ze iets met andere jongens deed, sloeg hij deze jongens in elkaar. Hij werkte in de bouw en had vele Tsjechische vrienden die ook in de bouw werkten, dus Daan maakte zich hier met recht enige zorgen over. We stonden op een theaterfestival in Den Bosch het probleem van Daan en de Tsjech te bespreken, toen Daan een sms’je kreeg. Het meisje waar hij verliefd op was zat in een café in de buurt, en ze had vernomen dat de Tsjech ook onderweg was naar dit café. We stonden naar een groot vliegtuig van papier-maché te staren, toen iemand hardop uitsprak wat iedereen al dacht: het was tijd om deze Tsjech een lesje te leren.
Het duurde een kwartier voor we in het café waren, we moesten ons door de menigte van het festivalterrein heen werken, een stuk door de stad lopen en even in de rij staan voor we bij het café naar binnen konden. Eenmaal binnen zagen we één meisje op de dansvloer staan, het meisje van Daan. Daan ontfermde zich over zijn meisje en wij gingen zitten aan de bar.
De Tsjech liet lang op zich wachten. Na een half uur kwam er een collega naast mij zitten. Hij vertelde dat hij in zijn vrije tijd foto’s maakte.
‘Ik heb ze aan alle bladen aangeboden’, zei hij, ‘maar niemand wil ze hebben. Alleen het stadsblad wil ze wel gratis aannemen. Maar dat doe ik natuurlijk niet.’
Ik wilde juist naar huis gaan, ik dacht niet dat de Tsjech nog op zou komen dagen, toen ze de kroeg binnen kwam lopen. Alles aan haar was groot. Ze had grote ogen, een groot voorhoofd en lange benen. Ze had lange armen en was zeker een kop groter dan ik zelf ben. Ze bestelde een witte wijn en ging aan de rand van de dansvloer staan. Op de dansvloer was het inmiddels wat drukker geworden, maar Daan en zijn meisje waren nog steeds het middelpunt. Ze kleefden aan elkaar alsof het einde der tijden slechts enkele seconden van ons verwijderd was. Als de Tsjech nu binnen komt, zou Daan nog niet jarig zijn, dacht ik bij mezelf. Het meisje waaraan alles groot was keek geamuseerd naar de dansende mensen. Ik gleed van mijn kruk af en ging naast haar staan.
‘Zie je die ene jongen’, zei ik tegen haar, terwijl ik naar Daan wees. ‘Er zit een Tsjech achter hem aan.’
Ze boog zich naar me over, ik moest omhoog kijken om haar in de ogen te zien en nog voor ik haar hoorde, had ik haar al geroken. Een zwoele geur met een frisse ondertoon, de geur van een slaapkamer op zondagochtend, als de ramen al open zijn gezet maar de lucht van de nacht nog niet helemaal is verdwenen.
‘Dat is niet zo mooi’, zei ze.
Ze had een lage stem, ik had nog nooit een vrouw met zo’n lage stem gehoord. Ze richtte zich weer op en hervatte haar observatie van de dansvloer. Met heel mijn wezen verlangde ik er ineens naar om in haar te klimmen, om me in haar te nestelen zoals een eekhoorn zich in zijn veilige holletje legt. Ik wist zeker dat me niets kon overkomen zolang zij in de buurt was.
‘Wil je nog iets drinken?’
‘Doe nog maar een wijn.’
Ik liep naar de bar en bestelde een wijn. Toen ik me weer omdraaide, was alles veranderd. Daan lag op zijn rug op de dansvloer, met een grote man bovenop zijn borstkas. Twee van onze vrienden probeerden de Tsjech van hem af te trekken, met weinig succes. Het meisje van Daan stond een meter verderop te huilen en mijn meisje, het meisje waar alles groot aan was, was spoorloos verdwenen. Ook nadat Daan en de Tsjech naar buiten waren gezet en alles weer rustig was geworden, zag ik haar nergens meer. Vaak droom ik over wat had kunnen zijn, tussen mij en het grote meisje, als de Tsjech net vijf minuten later bovenop Daan was gaan zitten.
door: Michiel (Den Bosch)
op maandag 9 augustus 2010
XL
'Maar ik hou van je!' De wind floot in mijn oren. Leugens, allemaal leugens. Waarom zou hij van mij houden? Ik draaide mijn hoofd weg.
'Waarom geloof je me niet?' Zijn vingers streken over mijn wang en draaide mijn hoofd naar hem toe. Zijn blauwe ogen, waarin de maan weerspiegelde als ...
'Maar ik hou van je!' De wind floot in mijn oren. Leugens, allemaal leugens. Waarom zou hij van mij houden? Ik draaide mijn hoofd weg.
'Waarom geloof je me niet?' Zijn vingers streken over mijn wang en draaide mijn hoofd naar hem toe. Zijn blauwe ogen, waarin de maan weerspiegelde als in een geslepen diamant, keken me gekweld aan. Gekweld door de aanraking van mijn lichaam. Ik zweeg.
'Wat heb ik gedaan?' Kleine tranen blonken in zijn ogen. Waarom kwelde hij zichzelf door mij aan te raken, door mij te zien, door tegen me te praten? Het laatste wat ik wilde was hem kwetsen. Maar toch deed ik het, keer op keer.
'Ga weg, alsjeblieft, ' mompelde ik. Mijn stem brak, ook al sprak ik zo zacht dat de wind hem overstemde. Maar hij verstond het. Hij schudde zijn hoofd. Over zijn lieflijke gezicht liep een eenzame traan. Ik stak mijn hand uit om hem weg te vegen, raakte zijn huid aan. Hij sloot zijn ogen en pakte mijn hand, die hij tegen zijn gezicht aandrukte. Meteen had ik spijt van wat ik had gedaan. Ik had me laten gaan, mijn verlangen was sterker geweest dan mijn liefde voor hem. Vlug trok ik mijn hand terug. Zijn ogen gingen weer open, en keken me geschokt aan.
'Waarom?' vroeg hij. 'Wat heb ik gedaan waardoor je niet meer van me houdt?' Zijn mond vertrok, en er stroomden nog meer tranen over zijn wangen. Mijn hart voelde alsof het met gloeiende staven werd bewerkt. Niet meer van hem houden. Hoe zou ik daar ooit toe in staat zijn?
'Vertel het me!' schreeuwde hij plotseling. 'Vertel het me! Laat het me rechtzetten!' Hij viel op zijn knieën in het bleke gras. Zijn ademhaling ging hortend en mijn handen die hij tegen zijn gezicht aandrukte werden nat van de tranen. Waarom deed hij dit? Hoe kon hij huilen om mij? Ik, die vergeleken met hem een kakkerlak was onder een steen. Een walgelijk schepsel dat je doet gillen van afgunst. Onwaardig om te leven, onwaardig om lief te hebben, onwaardig om van te worden gehouden. 'Niets, helemaal niets.' zei ik, plotseling met een heldere stem. Ik dacht aan de toekomst, zijn toekomst, en zag hem samen met een prachtig meisje, sprankelend als een waterval en lieflijk als een regenboog. Ik zag hem gelukkig, voldaan en tevreden, nooit meer omkijkend naar de kakkerlak onder de steen, die nog steeds wanhopig naar hem gluurde, en verlangde dat hij van haar hield. Zo zou het gaan, zo moest het zijn.
'Niets,' fluisterde hij. 'Niets waarmee ik je heb gekwetst.' En toen schreeuwde hij gemarteld werd en viel neer op de grond. 'Je hebt nooit van me gehouden!' riep hij uit, en hij kronkelde alsof hij met duizend messen werd doorboord. Toen ik hem zo zag voelde ik mijn hart verbranden, en de lucht sloot zich knellend om me heen.
'Ik hou van je!' riep ik uit. 'Ik hou met heel mijn ziel van je, met elke vezel in mijn lichaam. Jij bent het licht in mijn ogen, het geluid in mijn oren, de geur in mijn neus. Ik kan niet zonder jou leven. Mijn hele wereld draait om jou!' Ik hijgde en de tranen stoomden, omdat ik niet meer in staat was ertegen te vechten.'En daarom moet ik afscheid van je nemen. Ik kan je niet van iemand zoals ik laten houden. Dat zou slecht en afschuwelijk zijn. Je zou ongelukkig zijn en dat zou ik niet kunnen verdragen. Alsjeblieft, laat me gaan!'
'Nee!' schreeuwde hij woest. Voor het eerst sinds ik hem had ontmoet was ik bang voor hem. De blik in zijn ogen was fel en vurig, angstaanjagend en afschuwelijk. Hij sprong overeind, greep me om mijn middel en drukte me tegen zich aan. Elk stukje van mij lichaam raakte hem aan, hij was overal. Ik probeerde me los te maken, maar zijn greep was sterker dan staal.
'Ik laat je niet gaan,' zei hij. Ik voelde zijn hart voelde bonzen, vlak naast de mijne, in hetzelfde, woeste en vurige ritme, en op dat moment, wist ik dat hij de waarheid sprak. Dat hij van me hield. En ik huilde en omhelsde hem en hij huilde ook. En zo stonden we totdat de zon opkwam, terwijl we elkaar omhelsden en kusten. Toen de eerste zonnestralen over zijn glanzende haren streken liepen we naar een beekje verderop. Daarin zag ik mijn spiegelbeeld, en voor de eerste keer in mijn leven, vond ik het mooi.
door: Lituniel (Horst)
op maandag 9 augustus 2010
M
Ze bouwen al lang geen huizen meer in mijn dorp. Ze breken ze af. Eén voor één, steen voor steen. Op de plaats die dan vrijkomt metselen ze hokken. Mooie hokken, dat wel. Hokken met deuren in melkglas en balkons vol inox. Vijf hoog. Hokken voor één of twee personen ...
Ze bouwen al lang geen huizen meer in mijn dorp. Ze breken ze af. Eén voor één, steen voor steen. Op de plaats die dan vrijkomt metselen ze hokken. Mooie hokken, dat wel. Hokken met deuren in melkglas en balkons vol inox. Vijf hoog. Hokken voor één of twee personen met één of twee auto’s. Mét videofoon, uiteraard, het zou jammer zijn dat een van die twee mensen de trap af moest om de deur open te maken voor een vreemde. Of erger nog, voor een bekende die ze die dag liever niet over de vloer hebben. Heel erg jonge mensen kopen geen huizen meer. Ze kopen hokken. Als dat lukt tenminste. Meestal huren ze de hokken. Omdat kopen moeilijk wordt. Ze betalen huur aan de man die het huis afbrak. En zo geraakt het dorp stilaan vol. Net als de portemonnee van de man die het huis afbrak. Niet dat ik problemen heb met vol. Iedereen heeft recht op zijn portemonnee, zijn huis, zijn hok, zijn hol. Alleen wordt het stilaan drummen in het dorp. We hebben zelfs een spitsuur tegenwoordig. Verkeerslichten. Nachtwinkel. Zo hebben ze mij toch verteld, want meestal koop ik de dingen overdag, dan zie ik beter. Een flitscamera, dàt hebben we we momenteel nog niet. Maar die komt er wel. Daar ben ik zeker van. Ik weet er zelfs een heel erg leuk plaatsje voor. Maar daar staat een boom. Nu nog wel.
door: Dimi (lede)
op maandag 9 augustus 2010
L
De ideeën van Efgeni, die niet bepaald uitblonken in helderheid, waren een deel van zijn leven geworden.
"Steun mij in mijn zaak. Ik heb iedereen nodig."
"Creatilos is de leider," zei mijn vader.
"Creatilos doet niets. Hij is te laks."
Mijn vader kon het niet meer aanhoren en gooide het schaakbord, waar hij ...
De ideeën van Efgeni, die niet bepaald uitblonken in helderheid, waren een deel van zijn leven geworden.
"Steun mij in mijn zaak. Ik heb iedereen nodig."
"Creatilos is de leider," zei mijn vader.
"Creatilos doet niets. Hij is te laks."
Mijn vader kon het niet meer aanhoren en gooide het schaakbord, waar hij de hele dag naar zat te turen, met alle stukken er nog op naar zijn hoofd.
"Als je steun wil, richt je dan direct tot het dorp. Meer kan ik niet zeggen," waren zijn enige woorden. Hij plaatste zijn beide handen op de tafel en wist een ogenblik niet meer waarheen hij moest gaan.
Efgeni verliet ons huis en trok daadwerkelijk naar het dorpsforum. Ik was het zo gewoon als benjamin thuis om de tweede viool te spelen, dat ik hem ook nu van op een afstand volgde.
Toen hij halt hield op de open plek in ons dorp, en hij luidruchtig het woord begon te voeren, keken amper vier mensen bang op. Niemand wilde in de huidige situatie te veel gezien worden bij een driftkikker zoals Efgeni. Ik begreep niets van wat hij zei en keek naar het stof, de stoffige grond waarop zijn voeten onzeker neergepoot waren.
Ik moet verdrongen hebben wat zich de minuten daarna afgespeeld heeft. Ik zie druppels bloed voor me, vermengd met het stof, maar dat kan evengoed mijn fantasie zijn. Feit is dat Efgeni die dag en de dagen daarna niet thuis kwam. Mijn ouders wilden er niet over praten, ze vroegen niet naar mijn versie van wat er gebeurd was.
Iemand fluisterde dat iemand anders hem een week later tot de tanden gewapend en met een gemutileerd gezicht door de Witte Bergen had zien kruipen.
Hij werd een legende.
Mijn ouders begonnen weer stilletjes over hem te spreken. Ze herinnerden zich weer zijn goede kanten, zijn scheppingsdrang, zijn creativiteit.
En toen gebeurde het. Ongeveer twee maanden na zijn verdwijning stond hij midden in de nacht in onze gemeenschappelijke slaapkamer. Mijn ouders snurkten een eind weg. Ik zag de contouren van zijn gezicht maar vaag maar het was een heldere nacht en het raam stond open en ik kon duidelijk zien dat hij zijn neus kwijt was.
"Waarom, waarom wilde men mij niet? Ik moest uitverkoren zijn. De Engelsen hebben alles kapotgemaakt. Het had moeten lopen zoals tegen de Turken. O, wat zal ik ons leven missen. Onze gezamenlijke spelletjes. Al die dagen waarop je mijn penselen vasthield."
Ik hoorde mijn eigen ademhaling, sloot mijn ogen en wou iets zeggen, maar toen ik de eerste klank uitbracht zag ik dat hij weer weg was.
Ons dorp bleef als bij toeval gespaard, in tegenstelling tot de andere dorpen in de vallei.
door: LodeN (G.)
op donderdag 5 augustus 2010